Mooie omgeving de Schouwburg aan het Leidseplein in Amsterdam. Goed thema: Je Moerstaal en leuke ontmoetingen met vrolijke mensen als Janice Deul, Ernestine Comvalius en Raoul de Jong.
Auteur archieven: rolineredmond@live.com
Nominaties
Wie betaalt, bepaalt
Het is in mijn optiek niet verrassend dat het negerknaapje op een schilderij op de tentoonstelling over slavernij niet meteen opgemerkt werd door een conservator: hij is niet de focus van de penseelvoerder. Arme en onbetekenende mensen werden in Nederland over het algemeen met grove penseelstreken neergezet, behalve als het een portretstudie betrof. Niet zij waren het object van de schilder of etser, dat was de man met de goedgevulde beurs: zoals de suikerhandelaar Marten Soolmans, een Vlaamse immigrant er een was.
Marten Soolmans en zijn vrouw Oopjen Coppit, welgestelde Amsterdammers, werden door Rembrandt vereeuwigd in 1634. De Vlaming kon zelfs de reuzenkwasten op zijn schoenen laten schilderen en ook het portret van zijn vrouw, die uit een regentengeslacht afkomstig was, werd gedetailleerd uitgevoerd, met alle opsmuk. Het schilderij ademt rijkdom en welvaart, luxe en overdaad, vertaald in kostbaar kant, satijn, goud, zilver en parels, en vervolgens weer gevangen in verf.
De juiste weergave van donkere personages vind ik echter minder belangrijk dan de vraag hoe eenzaam de armste immigranten van kleur in Europa moeten zijn geweest, dubbel gemigreerd als zij soms waren: van Afrika naar de West en dan weer naar het koude Nederland. Als nakomeling van slaafgemaakten kijk je anders naar deze statusverhogende helpers van de plantage-elite, de futuboi. Deze manusjes-van-alles hadden als hoofdtaak de meester tevreden te houden. Hoe alleen moeten deze kinderen geweest zijn. Nooit meer zouden ze hun ouders terugzien. Door wie werden ze getroost? Zouden ze een geduldige kapper vinden die niet gruwde van de ‘wol’ als van een zwart schaap op hun hoofd? Werden ze aangestaard? Nageroepen? Wat ik voel is de opperste eenzaamheid van een kind dat in functie is. In de West maakten de ‒ eveneens ongeziene ‒ lotgenoten van deze Europese huisbedienden en huisknechten zes lange dagen per week met het kappen van suikerriet in de gloeiende zon. Met de opbrengst van de suiker konden Marten en Oopjen ons deze indrukwekkende schilderijen nalaten.
Het ongeziene slaafje
Ik zoek en vind een ander schilderij van een Nederlandse koopman met een slaafje. Volgens het onderschrift speelt het tafereel zich af in Nederlands Guiana. Maar dit is niet de rede van Paramaribo. Het lijkt, met de bifurcatie in de rivier, meer op de haven van het plaatsje Nieuw Amsterdam aan de rivier Berbice in het huidige Guyana dat gesticht werd door de Zeeuwen in 1627 en tot 1815 in Nederlandse handen was. De plantagebezitters Dessé in mijn boek De Doorsons, vervoerden hun producten vanuit Nieuw Rotterdam in het district Nickerie in Suriname, naar Nieuw Amsterdam voor verkoop in andere landen.
Het slavenjongetje ‒ het zou ook een jong meisje kunnen zijn ‒ is minder gedetailleerd in beeld gebracht dan zijn meester. En de ‘rijkversierde’ linten om zijn taille zoals het bijschrift vermeldt, bestaan uit een reep bedrukte stof. De spangen die de slaven om hun enkels en bovenarmen droegen – de Marrons uit mijn jeugd deden dat nog – waren van metaal, meestal koper. Slaven bezaten geen gouden sieraden. Als er al sprake was van een gouden halsband, het symbool van bezit, dan had de drager die weer moeten inleveren bij zijn eigenaar.
Wat meer betekenis genereert is het feit dat het kind nagenoeg naakt is want dat heeft de functie om de rijke en gedetailleerde kleding van de meester te accentueren, want zoals gezegd, die betaalt. De koopman of planter is in vol ornaat, zelfs met pruik. Hij wijst tevreden naar zijn handelswaar: de vaten met suiker, rum en melasse.
Surinaamse huisslaven waren rond 1800 in het bijzijn van de meester, op weg naar de kerk bijvoorbeeld, volledig gekleed. Dat houdt in dat ze al een beetje minder als object gezien werden. Dit knaapje, op papier van opsmuk voorzien, is dubbel in het nadeel. Hij betaalt niet want als bezit van de eigenaar is hij arm, en hij heeft nog niet de status van een mens. En vanuit dat standpunt kun je een simpele reep stof om de lendenen al zien als een rijke versiering.
Het gezicht van zwarte royalty: een West-Afrikaans jongetje
Op mijn bureau staan foto’s van drie jongetjes. Over de andere twee kom ik wellicht ooit te spreken, maar het kind afgebeeld op bijgaande foto (N.J. Wosu Picture Cards), kijkt zoals ik dat bij elk kind zou willen zien. Kijken naar deze foto hoort voor mij bij de hoopvolle momenten.
De foto van het jongetje met het snoer van koraal heb ik in New York gekocht in een African-American boekwinkel met een keur aan Kwanzaakaarten. Kwanzaa, een nieuw, religie-overstijgend feest met zeven kaarsen die staan voor zeven dagen en dito deugden, wordt massaal gevierd onder zwarte mensen in de VS: Amerikaans en Afrikaans. Het is een feest van het leven en het duurt een volle week: van 26 december tot en met 1 januari.
Ik geniet van die rustige blik, de koninklijke uitstraling. Dan denk ik te weten: dit kind is nooit uitgelachen om zijn kledingstijl, nooit slaaf geweest, nooit nageroepen om de kleur van zijn huid of de textuur van zijn haar, want pas als je kunt zijn wie je bent, zul je deze blik ontwikkelen.
Het kind is in mijn ogen een schoonheid, een royal in miniformaat. West-Afrikanen zijn de best geklede mensen ter wereld. Het hele gezin laat de kleding ontwerpen in de kleuren en stoffen van hun voorkeur, beweegt zich statig en houdt de rug recht. Memphis Depay, bekend met die kledingstijl, had niet gerekend op de reactie van anderen toen hij zijn hoofd bedekte: ‘Moejdiehoedzien!’ hoor ik een grinnikende man uitroepen in een tv-programma. Het is iemand die vergeten is dat hier in Nederland elke geklede man anderhalve tot twee generaties terug een hoed droeg.
Ghanese of Nigeriaanse jongetjes en meisjes in Amsterdam beseffen dat je in een soortgelijke feest-outfit binnen je eigen kringen moet blijven. Je kunt wel koninklijk gekleed zijn maar ze weten: tot de voordeur en niet verder. Als donkere kinderen de uitwassen van het Sinterklaasfeest overleven, de opmerkingen over hun uiterlijk, de teksten van grappende mannen, de bananengooiers op de voetbaltribunes, het gebrekkige schoolsysteem, als… dan zullen ze die kalme blik behouden. Zo niet, dan wacht hun die bozige uitstraling, die het gevolg is van machteloosheid.
Lula op noten
Moodboard
Het maken van de boektrailer
Het was een ambitieus plan: een korte trailer maken in het Engels in de vorm van een film en niet als een soort diavoorstelling van losse foto’s zoals meestal wordt gedaan. En in die film wilde ik nieuwe muziek laten horen.
Het slavenliedje Lelu Lelu moet eerst van noten worden voorzien. Hulp en adviezen krijg ik van Orville Breeveld, de zoon van mijn vrienden Clarence Breeveld, nu helaas overleden, en Hannah Belliot. Hannah ken ik al vanaf de Hendrikschool. De musicus, componist, arrangeur wijst mij op het programma Sibelius.
De naamgenootjes Salomé G. en Salomé L. gaan de muziek uitvoeren. De ouders van Salomé G. gaan aan de slag om de muzieknotatie te verfijnen. Alle leden uit het gezin G. bespelen een instrument en tal van keren spelen ze het liedje. Vioolleraar Johannes Lievaart voegt ook noten toe aan de muziek die zo heel anders klinkt dan hij gewend is. Salomé G. oefent het liedje braaf keer op keer. Salomé L. wordt achter de piano gezet en zij doet haar best onder leiding van haar moeder die als kind acht jaar lang pianolessen volgde aan de Suzuki Academie.
Tegelijk zijn we bezig met het ontwerpen van de kleding. Vanwege de coronabeperkingen gaat alles via Zoom. De kledingmaten die de ouders zelf moeten opnemen aan de hand van een voorbeeld op papier, worden telkens bijgesteld. Het is een wonder dat alles uiteindelijk precies past! Cheyenne Nelson, die een prijs won met haar moderne kóto (zie foto), ontwerpt de kostuums. Uit een lap kant knipt ze tientallen bloemetjes die ze op de yaki’s van de kinderen naait. Ik zorg voor de anyisa’s: hoofddoeken met een gevouwen rand, versierd met kralen.
Voor de geduldige filmmaakster Elsie Vermeer maak ik een moodboard om de sfeer aan te geven. Daarna volgen het script en het storyboard in de vorm van tekeningen. Als locatie suggereert Elsie de bibliotheek aan het Neude waar men alle medewerking verleent. De meisjes oefenen hun noten en ik lees mijn tekst nog eens hardop. Tijdens de opname zijn de kinderen nog steeds overweldigd door het monumentale gebouw. Het is de eerste keer dat we een filmpje maken en we zijn enthousiast maar geen profs, dus het is geen professionele trailer geworden, maar dat was ook nooit de bedoeling.
Orville schrijft op 26 mei 2021: Ik vind het een aansprekende film, vooral omdat de score (de muziek), gespeeld wordt door kinderen. De kraakjes en piepjes zijn aandoenlijk en de rol die de kinderen spelen is meteen een boodschap voor de lezers: het gaat nu om de volgende generatie.
Het belang van de Keti Koti Dialoogtafel
Na jaren neem ik voor de tweede maal, op 30 juni 2021, deel aan de Keti Koti Tafel die ditmaal is gesitueerd rondom de Gouden Koets in het Amsterdam Museum.
Wil je rituelen in stand houden dan moeten er nieuwe varianten komen. Zo ook deze Tafel, een gebruik dat sterk is geënt op de Sedertafel waarbij Joden over de gehele wereld de bevrijding uit de Egyptische slavernij vieren. Dat is gecombineerd met de Creoolse Kabra Tafra, de rituele maaltijd met de in slavernij gestorven voorouders die gehouden wordt tijdens de Kabra Neti, de nacht met de voorouders.
De doorleefde manier van herinneren, het Kabra ritueel, was alleen weggelegd voor mensen van wie de voorouders slaaf geweest zijn. Maar gelukkig is er deze nieuwe vorm, die in 2002 werd bedacht door Mercedes Zandwijken en Machiel Keestra. In een handzaam boekje uit 2019 wordt het verhaal, oftewel Á Tori, van de Keti Koti Tafel, verteld. Deze vorm van fusion wordt samengevat als pindasoep met matseballen: de slaven aten pindasoep met tomtom, gestampte bananen, en de Joden aten matseballetjes.
In het boekje noemen de makers de Kra Tafra, de herdenking voor alle zielen, ook die van het individu van wie de Kra, de ziel, sterker gemaakt moet worden om te overleven. Belangrijk onderdeel van de Keti Koti Tafel is dat wit en zwart tegenover elkaar aanzitten en op een bepaald moment elkaars handen inwrijven met kokosolie. En er is plaats voor verdieping en dialoog.
De nieuw ontdekte tak: Doorson-Van Holt-Kaersenhout
Een van de verrassingen van de verslaglegging over de Doorsons is dat er een tak van de familie boven water is gekomen, waarvan sommige leden altijd hebben verteld dat ze slechts buren waren van mijn grootmoeder Paulina Wijks. Dat is heel wel mogelijk, want ook buren konden vroeger, als ze aan bepaalde voorwaarden voldeden, duurzaam gerekend worden tot familie. De voorwaarden beschrijf ik in het boek De Doorsons. Maar waarom waren mijn moeder en grootmoeder dan zo nauw betrokken bij deze lichtgekleurde mensen?
Mijn tante Fransje vertelde dat onze Peetje Lena, Helena van Holt, een vrouw met lang sluik haar, wanneer de omstandigheden thuis grimmig waren, kwam uithuilen bij mijn zwarte grootmoeder Paulina Wijks. Waarom was tante Sientje, die luisterde naar de pas later ontdekte formele naam Georgine Pauline Constantia Doorson, kind aan huis bij Helena en bij mijn grootmoeder Paulina Wijks? Mijn ouma heeft haar opgevoed. Waarom kwam Eline Kaersenhout, getrouwd met André Donner, met haar man zo vaak langs bij mijn moeder Annette Wilson, de dochter van Paulina Wijks? Mijn moeder Annette ontwierp en naaide volgens Eline’s broer André de trouwjurk van zijn zuster. Eline was de zuster van de nog in leven zijnde André en Carl Kaersenhout. Beiden wonen in Paramaribo. Waarom nam mijn moeders broer Eddy Wilson mij mee naar de zaak van Carl Kaersenhout om met hem kennis te maken? Ik had vaak over deze kinderen horen spreken en wist dat ze werden gevolgd door de vorige generatie.
De zoon van Helena Van Holt, getrouwd Kaersenhout, André Kaersenhout bood de oplossing met het verstrekken van een familieboek. Daar was ik heel blij mee. Ik bel hem af en toe en zond hem via zijn dochter Nancy een gesigneerd boek. Helena van Holt bleek de dochter te zijn van Antoinette Doorson, die weer de dochter was van mijn overgrootmoeder Constantia Augustina Doorson de marktvrouw. Constantia was tevens de moeder van Willem Wijks de visser en mijn grootmoeder Paulina Wijks de wasvrouw. Zij hadden een andere vader: Alfred Frederik Wijks. Mijn ouma was dus de halfzuster van Antoinette Doorson, de moeder van Helena van Holt en Georgine Doorson (Sientje). Dat verklaart waarom Sientje bij mijn grootmoeder in huis woonde.