Waarom de Gouden Koets moet blijven

Restauratie van De Gouden Koets in Apeldoorn
Restauratie en tentoonstelling van De Gouden Koets in Museum Paleis het Loo in Apeldoorn

Onderwerping aan de koloniale macht

Dit galarijtuig uit 1898 lijkt zo weggereden te zijn uit een sprookjesboek over koningen en prinsen, ridders en lakeien. De bevolking uit de koloniën heeft er indirect aan meebetaald en zij hebben vast niet geweten hoe zij op dit ontzagwekkende symbool van macht afgebeeld zouden worden. Alle figuren uit de Oost en de West dragen op de schilderingen spullen aan. Dozen, pakken, manden met etenswaar, vruchten van de landbouw; op hun rug, hun hoofd of in hun armen. Ze offreren de goederen aan mensen die alle wit zijn. Op een van de panelen buigt een donkere man zich diep ter aarde voor een hoog gezeten, engelachtige blanke vrouw en een blanke man met een soort bijbel in de hand, beiden in neo-Romeinse kleding. Een donkere vader duwt zijn zoon met zachte drang in de richting van deze man, die zich naast de vrouw op de zetel bevindt. Deemoedig bieden de zwarte mensen hun zoon en hun landproducten aan en, aangezien geen enkele Surinaamse slaaf of nakomeling van slaafgemaakten zich ter aarde zou werpen voor een ander, ook hun menselijke waardigheid. Immers, buigen tot op de grond doen zij zelfs niet voor de zeer hooggeachte voorouderzielen of Kabra.

Panelen op de Gouden koets
Panelen op de Gouden koets

De koets als centrum van de krutu

Zo stralend de glitter en glans van de calèche, zo dof is het beeld ‒ figuurlijk gesproken dan ‒ van de rijksgenoten. En dat terwijl de mensen qua afbeelding nu juist goed zijn weergegeven. De schildering op de koets vat veel samen: de rol van de staat, van de kerk, de zienswijze van het Nederlandse volk.

Wat mij betreft gaat de koets nergens heen en blijft die waar die is, compleet met de panelen, op voorwaarde dat uiteenlopende groepen op gezette tijden om het glittergeval heen gaan zitten om hun krutu’s te houden. Een krutu is de term voor een palaver, overleg, discussie over een belangrijk thema, die werd gehouden door de eertijds vrije mensen ‒ gevluchte slaven of Marrons ‒ diep in het Surinaamse binnenland. De Gouden Koets dient geregeld als het ware ingesloten te worden door groepen mensen van alle signatuur die willen nadenken over onze gezamenlijke geschiedenis.

Detailafbeelding van een paneel inheemsen in dienende houding op de Gouden Koets
Detailafbeelding van een paneel inheemsen in dienende houding op de Gouden Koets

De Gouden Koets: glitter en geschiedenis

Roline Redmond bij de Gouden Koets tijdens de Keti Koti Tafel
Roline Redmond bij de Gouden Koets tijdens de Keti Koti Tafel

Aan het eind van de avond is er de ruimte om op de foto te gaan met de koets. Dit vereist enige techniek want de zon is al ondergegaan en tegenlicht, de reflectie van het glas en de schittering van de koets zelf, stellen hoge eisen aan mijn vaardigheden als amateurfotograaf. De overdaad aan schittering verblindt.

 

Een vriendelijke jonge fotograaf die voor diverse kranten werkt, biedt hulp. ’Wacht ik haal mijn eigen grote flitslamp en maak de foto waarop u voor de koets staat met uw eigen camera. Eerst moet ik het licht meten.’ Hij monteert zijn eigen flitslamp op mijn camera, maar eerst maakt hij zelf een paar opnamen met zijn eigen camera. Als hij klaar is mompel ik: ‘Trix de derde.’ Hij moet lachen om de opmerking en weet niet dat ik een geheel andere associatie heb dan de voor de hand liggende. Ik bedoel niet de voormalige koningin, maar denk aan een van de kinderen van mijn voormoeder. Haar dochter, die op een verkooplijst Catharina 3 wordt genoemd, is een slavinnetje zonder achternaam. In 1898, het bouwjaar van het rijtuig en vijfentwintig jaar na de feitelijke afschaffing van de slavernij, zou zij zich in de verste verte niet druk maken om een overheidskoets. Overleven was voor haar prioriteit. Zij en haar voorouders hebben meebetaald aan het werk van een schilder die keurig heeft verbeeld hoe de Nederlanders die verre rijksgenoten zagen: mensen die je volgaarne en deemoedig van voedsel en spullen komen voorzien en die hun lot onvoorwaardelijk aan je willen verbinden, zelfs nog in 1898. Het is maar goed dat de arme Catharina’s in Suriname en Indië deze koets nooit voorbij hebben zien rijden.

De Creoolse invloed op de Joodse keuken

Het gerecht Duckanoo
Het gerecht Duckanoo

Zonder het werk van de mensen op het veld en die in de huishoudens zou het gehele onderdrukkingssysteem in duigen vallen. Het waren de Creoolse dienstmeisjes die de joodse huishoudens runden.

Mijn Creoolse grootmoeder was wasvrouw bij een Joodse familie en ik ging weleens mee. Dan wisselde zij recepten uit met de kokkin die een migrante was uit Jamaica. Zij adviseerde mijn grootmoeder over kruidenmengsels als jerk en kruiden als old spice (allspice/lontai) en vaak viel het woord:  ‘alittelbitterum’. De vrouwen vergeleken sommige recepten: ‘Ah, wat jullie dokoen noemen, heet bij ons duckanoo: het is een Afrikaans gerecht. Het wordt gemaakt van geraspte yucca en kokos. Wij frituren de pakketjes en jullie verpakken het beslag in bananenblad dat wordt gestoomd.’

 

Eertijds waren het de Creoolse slavinnen, later de dienstmeisjes, die de Joodse huishoudens runden. Zij werkten er als wasvrouw en kokkin. De laatsten kookten het koosjere eten, kenden alle spijswetten en gingen naar de markt om de voorgeschreven vis te kopen. De Joodse vrouwen kwamen niet vaak buiten de deur want zij ontmoetten hun familieleden in de sjoel en bij het mikwe. Ze hoefden ook niet de straat op want de naaister en de wasvrouw kwamen aan huis en de verkopers kwamen aan de deur alwaar zij zaken deden met de huishoudster en de kokkin.

Het zijn deze zwarte vrouwen die de keuken van Oost-Europese en Sefardische Joden in Suriname hebben beïnvloed, kenners als zij waren van alle spijswetten met hun treifes. Zo wezen de slavinnen hun werkgevers op een alternatief voor het ongerezen brood: hun eigen cassavebrood, dat zonder toevoegingen wordt bereid als een soort cracker. Het eten van cassavebrood is in de Surinaams-Joodse gezinnen en synagoges gemeengoed geworden.

Kennis van de historie maakt je weerbaar

Mijn moeder vertelde veel over haar jeugd zoals het feit dat landarbeiders, Portugezen uit Madeira en Libanezen uit een dorp in Syrië, in haar jeugd straatarm waren en als marskramer, soms met een karretje de straten langs gingen om hun waren te verkopen. Toen het beter ging konden ze een eenvoudig houten huis in de binnenstad van Paramaribo inrichten als stoffenwinkel.

 

De armoede van migranten

De generatie uit mijn jeugd was niet bekend met dit feit. Toen een van hen, zeg maar met een veelvoorkomende naam, Nassif, mij vertelde dat zijn familie rijk was en woonachtig was in Parijs, was het tijd voor mijn woordeloze signify. Daarna is de jonge man nooit meer begonnen over zijn welgestelde verwanten. Wat hield mijn actie in? De ogen opensperren, diep en hoorbaar inademen en bij het uitademen de lippen licht tuiten als aanzet voor een tyuri (van Dale tjoeri) om mijn ongeloof en ongenoegen te laten blijken. Wat ik zonder woorden zei was: ’Nee maar…. je méént het zeg,…..? Wegwezen met die onzin.’ Woorden zijn in onze cultuur niet altijd nodig. Hij was ook een Surinamer, begreep het en deed er in het vervolg het zwijgen toe.

 

De Neneh als spil van de besluitvorming

Niemand in het Suriname van mijn moeders jeugd die migrant was, beschikte over rijkdommen, met uitzondering van sommige nakomelingen van slavenhouders: blank of Joods en de koloniale Nederlandse elite. Bovendien wist ik van de familiale dienstmeisjes zelf hoe de stand van de middenklasse werd opgehouden. 

De joodse Hugo Pos vertelde in mijn boek dat de zwarte Neneh in het gezin bij belangrijke beslissingen altijd geraadpleegd werd, bijvoorbeeld over de aanstaande huwelijkspartner. Niet onverstandig, aangezien de vrouw die lang in de familie werkzaam was via haar netwerk wist of je verloofde een buitenkind van je vader was, of de aanstaande bijvoorbeeld een halfzusje van je zou kunnen zijn. Zij wist via haar netwerk in welke schoonfamilie je terecht zou komen en welke lijken er in hun kast zaten. Ik ging niet in discussie met die naïeve jonge generatie, maar liet mijn ogen, adem en lippen spreken. 

 

De kunst van het flyeren

Het blijken er toch wel veel te zijn: de 1000 dubbelzijdig bedrukte foldertjes die ik bij de uitgever heb besteld voor de ouderen in mijn netwerk die niet in een boekhandel of bibliotheek komen. Er zit niets anders op dan op deze wijze de wereld kond doen van mijn werk.

 

Binnen een paar weken ben ik een intuïtieve flyeraar geworden. Ik kies wie of wat ik leuk vind om de flyer mee te delen: de mensen op straat of een willekeurige woning. Loopt een man of vrouw je tegemoet op straat. Waar let je op? Open gezicht? Vriendelijke uitstraling? Dan vragen of de ontvanger wel een ontvanger wil zijn. ‘Mag ik u dit aanreiken?’ En na het toestemmende knikje vriendelijk lachen, dankbaar voor het moment van contact en met een hoofs gebaar het gekleurde velletje aanreiken. Maar ook de chagrijnige types zijn een doelgroep, al is er meer werk nodig om ontvangst mogelijk te maken.

En zou mijn eenpersoons straatdistributie de verkoop van het boek stimuleren? Geen idee. Leuk blijft het wel vanwege het korte moment van elkaar in de ogen kijken, die fractie van een seconde waarin je elkaar woordeloos belooft de ander even te respecteren.

 

Wat de woningen betreft, zijn de ruimhartige open woonkamers van ons volk fijn, de huizen van mensen die zich veilig lijken te voelen. Eerst naar binnen kijken. Leuk interieurtje? Geen nee sticker? Hup flyer in de bus. Geniet van uw flyer. Ik heb het al voor u gecheckt: hij staat qua kleur mooi op uw bureau.

Het prettigste zijn de verticale brievenbussen van de herenhuizen met de kwastjes aan weerszijden. Het papiertje met glanslaag zoeft geruisloos naar binnen. Als ik niet meer kan joggen ga ik lopen: wijkkrantjes rondbrengen.

Flyeren en de ontmoeting met Judy Sijlbing in Utrecht

Als ik op zaterdag 19 juni 2021 voor de deur van Toko Prem aan de Amsterdamsestraatweg in Utrecht voorzichtig mijn bakje roti in m’n fietstas laat zakken, zie ik aan de overkant van de straat een mij onbekende vrouw staan. Ze lijkt Surinaams en dat is bijzonder want je komt in Utrecht zelden Surinamers tegen. Ik reik haar een flyer aan, ze knijpt met haar ogen en zegt: ‘Maar ik ken u,’ en ze noemt de wijk waarin ik woon en weet in welk jaar ik mijn proefschrift verdedigde. ‘Hebt u op de dag van uw promotie het bloemstuk van mijn vader ontvangen, mevrouw Redmond? Hij vroeg mij dat te sturen, met een felicitatie.’ Haar achternaam is Sijlbing.

‘U bent dan een dochter van meester Síjlbing!’ roep ik uit. In de jaren 60 was hij de schooldirecteur  van mijn middelbare school, de Hendrikschool aan de Gravenstraat in Paramaribo.

 

Ik heb het boeket ontvangen. We spreken over 1993. De oude schooldirecteur was, vertelt zijn dochter, zo trots op mij dat hij haar vanuit Suriname vroeg om zijn oud-leerlinge op die belangrijke dag een boeket bloemen te zenden. Ik ben opnieuw verrast, het is alsof ik de bloemen nogmaals in ontvangst neem.

 

Wat toevallig om deze vrouw, die mijn naam op de folder herkent en mij herinnert aan deze gebeurtenis, tegen te komen. Zomaar een ontmoeting, met een flyer in de hand, op een zonnige zaterdagochtend in Utrecht.

Schooldirecteur Sijlbing, de betekenisgever (signifier)

De gezaghebbende schooldirecteur school stond ver van mij af, zo leek het. Mijn vier jaren op deze school waren, om redenen die ik beschreef in De Doorsons, soms stressvol. Niet de vereiste intellectuele bagage was een probleem, maar mijn sociale positie als kind van eenvoudige komaf, waar het gros van de leerlingen uit de gegoede klasse kwam. Hun ouders behoorden tot de koloniale bestuurlijke elite of waren Joodse, Chinese of Hindostaanse groothandelaren of Portugese winkeliers in de binnenstad. Een enkeling was Creools. Zo heeft ook mijn oudtante Sophie Redmond volgens Esseline Gummels, oftewel tante Es aan wie ik een hoofdstuk heb gewijd in het boek, deze school bezocht, net als de Creoolse apothekeres Esseline Polanen.

 

Voor mij waren de gespreksthema’s van mijn klasgenoten een probleem. Een terugkerend onderwerp, en dat was ook al het geval op de openbare basisschool de Julianaschool, waren de perikelen van hun moeders met de Creoolse dienstmeisjes. Die zouden onhandig en soms onbetrouwbaar zijn en hun plichten verzaken. Mijn medeleerlingen leken tegen elkaar op te bieden. Het was duidelijk een clichéthema. Ik deed er het zwijgen toe want mijn familie leverde dat soort dienstmeisjes. Mijn oudere tantes hadden allemaal een ‘mevrouw’ en zij was vaak een veeleisend persoon. Bovendien wist ik donders goed dat die zwoegende zwarte vrouwen handiger waren dan hun werkgeefsters, niet-werkend, klagend en afhankelijk als ze waren.

 

Tijdens mijn vierjarig vertoeven op de Hendrikschool wisselde ik nauwelijks een paar woorden met meneer Sijlbing, die behalve directeur ook mijn wiskundeleraar was. Toch wist ik dat hij mij goedgezind was, juist door een vorm van signifying of betekenisgeving. Signifying is de Afro-Amerikaanse manier om extra betekenissen toe te kennen aan taal en gedrag, zoals ik met voorbeelden duidelijk maak in De Doorsons, in de leidraad verteltechnieken.

 

Meester Sijlbing voegde een andere naam toe aan de mijne. Natuurlijk wist hij hoe ik genoemd werd, maar hij gaf dat tengere verlegen meisje toch een nieuwe naam, en met een doel, want meester Sijlbing deed aan die vorm van signifying die ze namegiving noemen: het kiezen van een speciale naam. Het werd Rosie. Hij sprak de naam altijd langzaam uit: ‘Rooosie.’ Met deze twee ingrepen liet hij mij weten: ‘Ik zie je wel.’ Meneer Sijlbing wist dat mijn ouders soms moeite hadden het exorbitant hoge bedrag aan schoolgeld te voldoen. Hij regelde een boekenbeurs voor mij. Nadat ik de school op mijn veertiende verliet, heb ik hem nooit meer gezien, totdat ik, zoals hierboven beschreven, zijn dochter tegenkwam op die bewuste zaterdag in juni in Utrecht. Bijzonder dat de man mij toen zag, dat hij aan me dacht toen ik promoveerde, en dat ik zijn dochter tegenkwam en zij mij herkende. Zijn dat geen pareltjes? Allemaal verkregen door een Doorsonflyer.

Waarom zoeken naar je roots?

Er zitten meer mensen in het zaaltje, waaronder nakomelingen van plantagebezitters, sommigen van adel, net als de moeder van Maartje Duin.

Ik word aangesproken door twee jonge vrouwen die ook van de kant zijn van de mensen die investeerden in plantages en die nadenken en schrijven over deze periode. Ze zijn er nog niet uit.

Een van hen wil mij een cruciale vraag stellen: “Mijn vader vraagt zich af: Wat voor zin heeft het om toch steeds naar roots te willen zoeken?”

Ik denk aan het YouTube filmpje van prof. Dr. Henry Louis Gates, de man die ik in 1988 in de VS sprak bij het schrijven van mijn proefschrift over de narratieve technieken van zwarte mensen. Hij is ook de onderzoeker die de stamboom van Oprah Winfrey uitgezocht heeft. De beelden tonen hoe gelukkig mensen worden van het vinden van hun wortels en in mentale zin groeien van een ‘nobody’ tot een ’human being.’ De vondsten blijken een helende werking te hebben.

Mijn antwoord: “Als je vader dat zou willen kan hij zich altijd bij een archief vervoegen om bij wijze van spreken een lade open te trekken om zijn familiehistorie tevoorschijn te halen, maar de nakomelingen van slaven kunnen dat niet. Alles is ze ontnomen: hun familie, hun naam, hun identiteit. Ze waren chattel, oftewel gebruiksgoederen, geen mensen. Niets is genoteerd. De tot slaaf gemaakten moeten nu nog aarden door hun wortels te vinden. Velen voelen zich onbewust nog steeds een ‘nobody’.”

Ontmoeting met Maartje Duin en Peggy Bouva

18 juni 2021. Een zaaltje in het Rijksmuseum tijdens de tentoonstelling over slavernij.
Ik schuif aan bij de napraat van een van de 3 sessies van Maartje en Peggy. Er zijn andere mensen die op zoek zijn naar hun familieverleden en nu van de bezittende kant.

Duin heeft samen met haar moeder, mevrouw Albertine Duin-van Lynden en Bouva, de populaire podcast gemaakt: De plantage van onze voorouders. (VPRO).

Dit vertelde verhaal lijkt een pendant van mijn geschreven zoektocht naar mijn familie: De Doorsons. (1 juni 2021 Arbeiderspers).  Ook ik heb – vanuit de positie van Peggy bekeken, de nazaten van onze slavenhouders ontmoet: de familie Dessé in Utrecht, die in het boek beschreven worden.

Slavernij? De familie Dessé had zelf geen idee wat het inhield, en het enige wat je ze nu nog zou kunnen aanrekenen is dat zij, net als de meeste Nederlanders, door die stilgehouden geschiedenis, de voordelen genieten van een onbevangen kijk en een ongerept wereldbeeld. “Waar hebben jullie het over? Het is toch zo lang geleden! “

Eveline Sint-Nicolaas, conservator van de slavernij tentoonstelling, is begonnen aan het boek De Doorsons en ze vond een zin belangrijk: “Dat je je gasten niet wilt laten ronddolen maar ze aan de hand neemt.” Ze heeft ons aan de hand genomen met de focus op het jongetje en ik bedank haar voor het feit dat ze durfde toe te geven dat kleine negerjongetje, op een beroemd schilderij niet gezien te hebben. Maar het was ook niet de bedoeling, tot deze expositie 250 jaar na het begin van de slavenperiode.

Jörgen Raymann zal in het Rijksmuseum ook een aantal talkshows houden over slavernij en de doorwerking ervan, zoals de rol van vrouwen.